Wij meten onze bodem aan regenwormen

Wat zie je als je naar een moestuin kijkt? Groenten. Bloemen. Misschien een paar bijen. Maar het belangrijkste deel van de tuin zie je niet.
Het zit onder je voeten. De bodem. Op de Voedseltuin kijken we daarom niet alleen naar wat er boven de grond gebeurt. We kijken ook naar wat eronder gebeurt. Eén van de manieren waarop we dat doen, is verrassend eenvoudig: we tellen regenwormen.

Waarom regenwormen?

Regenwormen zijn belangrijke bewoners van een gezonde bodem. Daarom worden op de Voedseltuin twee keer per jaar op tien vaste plekken grondmonsters genomen. Uit iedere plek wordt voorzichtig een kluit van ongeveer 20 × 20 × 20 centimeter gehaald en onderzocht op het aantal wormen. Dat klinkt misschien als een klein detail. Maar het zegt veel over hoe wij naar voedselproductie kijken. Een gezonde tuin begint niet bij de plant. Een gezonde tuin begint bij de bodem.

De bodem als levend systeem

Daarom werken we op verschillende manieren aan de kwaliteit van de bodem. Compost speelt bijvoorbeeld een belangrijke rol. Lege teeltbedden worden in de winter niet zomaar kaal achtergelaten. In eerdere jaren werd gewerkt met natuurcompost, stro, bladeren en groenbemesters om de bodem te beschermen en voedingsstoffen vast te houden.

Ook wordt geëxperimenteerd met combinaties van gewassen. Bij de zogenoemde drie-gezuster teelt werden maïs, stokbonen en pompoenen samen geteeld. De gewassen kunnen elkaar ondersteunen: bonen leveren stikstof aan de bodem, maïs biedt steun en pompoen bedekt met zijn bladeren de bodem. De Voedseltuin ontdekte daarbij ook dat de eerste uitvoering niet optimaal werkte —en paste de aanpak vervolgens aan. Dat is misschien wel kenmerkend voor onze manier van werken. We willen niet alleen weten wat groeit. We willen begrijpen waarom iets groeit. En dan blijken de kleine bewoners ineens belangrijk.

Ook boven de grond werken we zoveel mogelijk met de natuur mee. Takkenrillen, struiken, stapelmuurtjes en bloemenhoeken bieden voedsel en schuilplaatsen aan dieren die helpen bij de teelt. Egels eten slakken, lieveheersbeestjes helpen bij het beperken van luizen en insecten zorgen voor bestuiving. Zelfs een plant die wij als “onkruid” zouden kunnen zien, kan een functie hebben voor bodem en insecten.

Voedsel telen begint dus met anders kijken

Naar een regenworm. Naar een bloem. Naar een wesp die een klein lemen potje bouwt. Naar een plant die we misschien normaal gesproken zouden weghalen. En naar de bodem onder onze voeten. Want wie gezonde groenten wil telen, moet ook zorgen voor het levende systeem waarin die groenten kunnen groeien.

Op de Voedseltuin meten we daarom niet alleen onze oogst.
We kijken ook naar wat de bodem ons vertelt.

Zie ook onze partnerpagina